HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1547
Lokaalvredebreuk, art. 138.1 Sr. Bewijsklacht m.b.t. het “wederrechtelijk vertoeven” in een hotel. HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:1951:67 m.b.t. art. 138.1 Sr. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof o.m. het volgende vastgesteld. Nadat verdachte namens rechthebbende al een formele waarschuwing had gekregen vanwege het veroorzaken van geluidsoverlast, is n.a.v. nieuwe klachten over geluidsoverlast door een nachtportier aan verdachte medegedeeld dat “hij zijn spullen moest gaan pakken, omdat hij niet langer welkom was in het hotel”. Verdachte heeft zich vervolgens, ook na herhaalde vordering vanwege de rechthebbende, niet uit het hotel verwijderd. Het mede op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat verdachte, vanaf het moment waarop aan verdachte is medegedeeld dat hij niet langer welkom was in het hotel, wederrechtelijk in het hotel heeft vertoefd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Anders dan het middel betoogt, doet daaraan niet af dat verdachte op grond van een civielrechtelijke overeenkomst in het hotel verbleef en voor zijn kamer had betaald. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl