HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1453
Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) door brieven van Dienst Justis zodanig te vervalsen dat daarin stond vermeld dat hem gratie was verleend zodat hem de uitkering en toeslag, die waren stopgezet toen hij gedetineerd raakte, werden uitgekeerd. Klacht over afwijzing aanhoudingsverzoek op grond dat niet aannemelijk is dat verdachte uit medisch oogpunt niet in staat is ttz. in h.b. aanwezig te zijn. HR: art. 81.1 RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/05536
Datum 1 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 november 2017, nummer 20/001821-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C.M.H. van Vliet en H. Sytema, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.