HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:114
Economische zaak. Medeplegen opzettelijk ten vervoer aanbieden van gevaarlijke stof (kwik) met luchtvaartuig zonder verleende erkenning (art. 6.55.1 Wet luchtvaart) en medeplegen opzettelijk met luchtvaartuig ten vervoer aanbieden van 5 verfblikken met gevaarlijke stof (kwik) (art. 6.51.1 Wet luchtvaart) door op naam van andere persoon bij koeriersbedrijf doos met verfblikken ter verzending naar zus in Suriname aan te bieden en daartoe kwik in verfblikken te doen. Wordt uitleg bestanddeel “gevaarlijke stoffen” uitsluitend bepaald door Wet luchtvaart of ook door Verordening (EG) 1102/2008? Middel berust - in navolging van gevoerd verweer - op opvatting dat art. 1.1 Verordening (EG) 1102/2008 bij uitleg van begrip "gevaarlijke stoffen" in art. 6.51.1 en 6.55.1 Wet luchtvaart (een bepalende) betekenis heeft. Die opvatting vindt, gelet op wetsgeschiedenis van Wet luchtvaart en preambule van Verordening, geen steun in het recht. HR neemt daarbij in aanmerking dat Wet luchtvaart strekt tot bescherming van veiligheid van luchtvaart en Verordening beoogt risico op blootstelling aan kwik in het algemeen te beperken d.m.v. uitvoerverbod en opslagverplichting. ’s Hofs oordeel dat aan in tll. voorkomende woorden "gevaarlijke stoffen" een betekenis mag worden verleend die onafhankelijk is van het bepaalde in Verordening, geeft derhalve niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl