HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66
Profijtontneming, w.v.v. uit gewoontewitwassen. Motivering schatting w.v.v. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.2 (oud) Sr en 36 e.3 (oud) Sr. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2017:414. ‘s Hofs kennelijke oordeel dat de uitkomst van de gebezigde kasopstelling het door betrokkene daadwerkelijk w.v.v. representeert, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Indien het Hof toepassing heeft willen geven aan art. 36e.2 (oud) Sr, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd aangezien het Hof in het midden heeft gelaten of het bedrag waarop het w.v.v. is geschat is gerelateerd aan (uitsluitend) het bewezenverklaarde witwassen dan wel (mede) aan soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr. Indien het Hof heeft beoogd toepassing te geven aan art. 36e.3 (oud) Sr, is het oordeel eveneens ontoereikend gemotiveerd. Uit ‘s Hofs overwegingen blijkt niet dat aan de in die bepaling gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan. V.zv. het Hof tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat het bedrag van € 177.015,36, zijnde het bedrag dat betrokkene in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 juni 2012 meer heeft uitgegeven dan zijn legale inkomsten in die periode hebben bedragen, is verkregen d.m.v. of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen, zou dat oordeel kennelijk zijn gebaseerd op de opvatting dat genoemd bedrag, nu dit voorwerp van witwassen was, reeds daardoor w.v.v. vormde. Die opvatting is niet juist (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY5217). Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/03016.
De uitspraak op rechtspraak.nl