HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541
Veroordeling gemeenteraadslid A t.z.v. belediging gemeenteraadslid B door aansluitend aan debat in gemeenteraad op Twitteraccount en Facebookpagina B “racist” te noemen, art. 266 Sr en 10 EVRM. Uitlatingen politicus onnodig grievend? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3583 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting, de vraag of een uitlating strafbaar is wegens belediging ex art. 266 Sr en de situatie waarin het gaat om een uitlating door een politicus i.h.k.v. het publieke debat. Hof heeft tlgd. uitlatingen, meer i.h.b. v.zv. daarin gemeenteraadslid B “racist” wordt genoemd, naar hun bewoordingen z.m. als beledigend van aard aangemerkt. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat die uitlatingen in het openbaar en in het maatschappelijke debat zijn gedaan en dat uitlatingen onnodig grievend zijn, nu verdachte in zijn uitingen veel verder is gegaan dan geboden was door aard en strekking van zijn kritiek en dat die uitlatingen als beledigend in de zin van art. 266.1 Sr kunnen worden aangemerkt. 's Hofs oordeel dat de door verdachte gebezigde uitlatingen onnodig grievend zijn, is zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk in het licht van hetgeen is vooropgesteld en in aanmerking genomen enerzijds het politieke debat dat de aanleiding vormde voor de uitlatingen van verdachte en anderzijds het belang van een politicus in het publieke debat zaken aan de orde te stellen, ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen.
De uitspraak op rechtspraak.nl