HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:41
Veroordeling ex art. 197 Sr: verblijf in NL na inreisverbod. Uit ’s Hofs bewijsvoering kan niet volgen dat verdachte 'wist' dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. De omstandigheden dat namens verdachte door zijn gemachtigde een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring is ingediend, dat bij beschikking tegen verdachte ex art. 66a.1.a Vw een inreisverbod is uitgevaardigd, dat deze is bekendgemaakt door publicatie in de Staatscourant en dat namens verdachte door deze gemachtigde tegen dit besluit beroep is ingesteld en ook beroepsgronden zijn ingediend, welk beroep n-o is verklaard door de Rb, zijn daartoe niet voldoende. De bewijsvoering houdt niets in waaruit kan worden afgeleid dat verdachte door zijn gemachtigde op de hoogte is gebracht van de inhoud van de beschikking houdende de oplegging van het inreisverbod en het daartegen tevergeefs ingestelde beroep. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl