HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:395
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen A en B. N-o verklaard klaagschrift op de grond dat klaagschrift niet is ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Vervolgde zaak a.b.i. art. 552a.3 Sv? In cassatie wordt niet geklaagd over het oordeel Rb dat "niet gebleken is van andere f&o dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd welke bij beslissing van 13 augustus 2013 ongegrond verklaard is, zodat klager gelet hierop al n-o is in zijn beklag". Dat oordeel draagt de n-o verklaring zelfstandig. In cassatie wordt verder betoogd dat de Rb ten onrechte art. 552a lid 4 i.p.v. lid 3 Sv heeft toegepast, nu "tegen A naast een strafzaak ook een ontnemingsprocedure liep, loopt of heeft gelopen, in het kader waarvan een RC een beslissing heeft genomen zodat er minst genomen sprake is geweest van een vervolging”. HR overweegt n.a.v. de in de CAG de AG opgeworpen vraag of i.c. sprake is van een 'vervolgde zaak' a.b.i. art. 552a.3 Sv: in haar algemeenheid is onjuist de opvatting dat van een vervolgde zaak i.d.z.v. art. 552a.3 Sv sprake is op de enkele grond dat voor het ex art. 103 Sv onder een ander dan klager gelegde conservatoire beslag een op vordering van de OvJ door de RC verleende schriftelijke machtiging was vereist. Het kennelijke oordeel van de Rb dat i.c. geen sprake is geweest van een vervolging a.b.i. art. 552a.3 Sv (die dan in de zaak tegen A nog niet tot een einde zou zijn gekomen) geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De uitspraak op rechtspraak.nl