HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:386

OM-cassatie. Art. 197 Sr en Terugkeerrichtlijn. Hof heeft verdachte, die naar Albanië was uitgezet, vrijgesproken t.z.v. verblijf in NL na ongewenstverklaring. Jegens verdachte is o.g.v. art. 67.c Vw 2000 een beschikking tot ongewenstverklaring uitgevaardigd. Verdachtes bezwaar daartegen is bij beschikking gegrond verklaard. Gelijktijdig met die gegrondverklaring is aan verdachte ex art. 66a.7 Wv 2000 een inreisverbod voor vijf jaren uitgevaardigd. Niet is gebleken dat de beschikking tot ongewenstverklaring met terugwerkende kracht is vernietigd zodat in cassatie tot uitgangspunt dient dat aan het Hof de vraag voorlag of de ongewenstverklaring van verdachte op een wettelijk voorschrift berust. Het Hof heeft de rechtmatigheid van de beschikking tot ongewenstverklaring getoetst aan de uitleg die het HvJ EU in de zaak Z.Zh. en O (ECLI:EU:C:2015:377) heeft gegeven aan de Terugkeerrichtlijn. Verdachte bevond zich t.t.v. het uitvaardigen van de ongewenstverklaring niet op EU-grondgebied. Gelet op art. 2.1 Terugkeerrichtlijn was deze richtlijn op dat moment n.v.t. op verdachte. Nu het Hof de beschikking tot ongewenstverklaring desondanks heeft getoetst aan de criteria zoals die voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn en de door het HvJ EU aan die criteria gegeven uitleg, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken