HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:237
‘Utrechtse serieverkrachter’. Drie verkrachtingen in 1995 en één in 2001. 1. Schakelbewijs. 2. Biedt art. 278.2 Sv wettelijke grondslag voor door Rb afgegeven bevel tot medebrenging van verdachte voor het bijwonen van de uitspraak? Ad 1. Uit de bewijsvoering heeft het Hof kunnen afleiden dat het verdachte is geweest die verkrachting in 2001 heeft gepleegd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld en in onderling verband heeft beschouwd dat o.b.v. de resultaten van het DNA-onderzoek van het spoor op de jurk van aangeefster van deze verkrachting een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, dat en welke overeenkomsten bestaan tussen de wijze waarop de verkrachting van aangeefster van dit feit heeft plaatsgevonden en die van de verkrachtingen van aangeefsters van de feiten uit 1995 en dat ook overeenkomsten bestaan in het signalement dat de verschillende aangeefsters van drie van de vier verkrachtingen van de dader hebben gegeven. Ad 2. Art. 278.2 Sv is geplaatst in Boek II, Titel VI, Sv handelend over de 'Behandeling van de zaak door de rechtbank', waaronder ingevolge de Vierde afdeling van die Titel ook de uitspraak valt. De opvatting dat art. 278.2 Sv niet toelaat dat medebrenging van verdachte wordt gelast opdat deze aanwezig zal zijn bij de - tot behandeling van de zaak behorende - openbare tz. waarop uitspraak wordt gedaan, is gelet op de systematiek van de wet in zijn algemeenheid onjuist.
De uitspraak op rechtspraak.nl