HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:229
Dwang, art. 284 Sr. Verdachte is als activiteitenbegeleider met een vijfjarig meisje naar een wc gegaan, heeft de deur op slot gedaan, de ogen van het meisje afgedekt met een voorwerp en vervolgens een voorwerp in haar mond gestopt. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:859. Falende middelen m.b.t. unus testis (art. 342.2 Sv) en door een feitelijkheid dwingen iets te dulden a.b.i. art. 284 Sr. HR: art. 81.1 RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
20 februari 2018
Strafkamer
nr. S 16/05857
KD/JHO
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 september 2016, nummer 23/001991-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018.