HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2281

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.800,-. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een ex art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijv. het geval wanneer het inbeslaggenomen voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om w.v.v. aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b.1.4 Sr jo. art. 552f Sv. In de overwegingen van de Rb ligt als haar oordeel besloten dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Door in dit verband enkel te overwegen dat "zonder standpunt van het Openbaar Ministerie en zonder (nadere) informatie over de inbeslagneming van voornoemd geldbedrag, niet kan worden gezegd dat er géén strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag" heeft de Rb dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld en behoeft voor het overige geen bespreking. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 17/02277.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen