HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2245

Doen van valse aangifte t.z.v. diefstal telefoon, art. 188 Sr. Intrekking aangifte. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 2-3-1902, W. 7735, inhoudende dat art. 188 Sr betrekking heeft op geval dat aangifte of klacht is gedaan van strafbaar feit met wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd. Opvatting dat geen toepassing aan art. 188 Sr kan worden gegeven in het geval dat degene die "aangifte" heeft gedaan, deze nadien heeft ingetrokken, is onjuist. HR merkt op dat dit niet anders is bij art. 268.1 Sr over lasterlijke aanklacht door valse aangifte. Ook opvatting dat "aangifte" in de zin van art. 188 Sr alleen kan worden gedaan door persoon die kennis draagt van begaan strafbaar feit en dat daarom geen sprake is van "aangifte" in de zin van art. 188 Sr indien blijkt dat geen strafbaar feit is begaan, vindt geen steun in het recht gelet op delictsomschrijving van art. 188 Sr en W. 7735, in welk arrest nog is gewezen op verschil met lasterlijke aanklacht van art. 268.1 Sr waarvoor niet van belang is of strafbaar feit wel of niet is gepleegd. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen