HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2158
Antilliaanse zaak. Veroordeling partner van voormalige minister-president Curaçao voor o.m medeplegen witwassen, art. 435c.1.a SrNA. Bewijsklacht m.b.t. vraag of verdachte en haar mededader "wisten of begrepen" dat geldbedragen waarvan zij herkomst hebben verhuld "afkomstig waren uit enig misdrijf". Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte van geldbedragen herkomst heeft verhuld, terwijl zij en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Daarbij is Hof ervan uitgegaan dat niet is bewezen dat verdachte bekend was met specifieke aard van dat misdrijf - te weten: ambtelijke omkoping van haar mededader en A - waardoor geld is verkregen. Wel heeft Hof bewezen geacht dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat geld uit enig misdrijf afkomstig was. Hof heeft in aanmerking genomen dat het ging om grote geldbedragen, dat verdachte wist dat deze bedragen afkomstig waren van A, dat verdachte niet wilde dat geld op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat verdachte geld op haar Amerikaanse rekening heeft laten storten, dat verdachte geld vervolgens met mededader op heimelijke wijze legaal aanzien heeft gegeven en dat noch uit boekhouding van haar mededader noch uit die van door hem opgerichte politieke partij kon blijken dat er gelden waren ontvangen van A. ‘s Hofs oordeel dat uit deze omstandigheden volgt dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op haar rekening ontvangen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat verdachte ervan uitging dat die (uit misdrijf afkomstige) geldbedragen strekten ter ondersteuning van politieke activiteiten van haar mededader, doet daaraan niet af. Volgt verwerping. Samenhang met 17/03977 A.
De uitspraak op rechtspraak.nl