HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2142
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op woning onder klaagster ten laste van A, de echtgenoot van klaagster die wordt verdacht van verduistering en oplichting, t.b.v. verhaal van aan hem op te leggen ontnemingsmaatregel. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf of buiten redelijke twijfel is dat derde die ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt als eigenaar moet worden aangemerkt en, zo ja, of zich situatie van art. 94a.4 of 94a.5 Sv voordoet. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat ex art. 94a Sv beslag is gelegd op de woning tot bewaring van het recht tot verhaal van een aan A op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van w.v.v. Rb heeft als vaststaand aangenomen dat de woning sinds 1996 - het jaar waarin klaagster buiten gemeenschap van goederen is gehuwd met A - alleen op naam van klaagster staat. Rb heeft kennelijk geoordeeld dat zich hier de situatie van art. 94a.4 Sv voordoet, te weten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de woning aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Dat oordeel behoeft nadere motivering, nu uit vaststellingen Rb en haar daarop gebaseerde oordeel dat "niet is uitgesloten dat de woning destijds op naam van klaagster is gezet met het kennelijke doel om latere uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen, hetgeen klaagster wist of redelijkerwijs moest vermoeden" niet z.m. volgt dat de in art. 94a.4 Sv bedoelde 'voldoende aanwijzingen' bestaan. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl