HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2099

Opzettelijk onttrekken minderjarige aan wettig gezag (meermalen gepleegd) door zijn twee dochters in Libië achter te laten, art. 279.1 Sr. Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsvrouwe ttz. op de grond dat verdachte zonder geldig paspoort in Libië verblijft, door Hof afgewezen o.g.v. overweging dat verdachte zelf verantwoordelijk is voor omstandigheid die hem verhindert aanwezig te zijn en niet blijkt dat verdachte iets heeft gedaan om deze verhinderende omstandigheid weg te nemen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1934, inhoudende dat aanhoudingsverzoek kan worden gedaan door verdachte, gemachtigde raadsman of niet gemachtigde raadsman (met het oog op effectuering aanwezigheidsrecht verdachte of t.b.v. alsnog verkrijgen machtiging), dat rechter (als geval dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is zich niet voordoet) belangenafweging dient te maken tussen aanwezigheidsrecht verdachte en belang bij doeltreffende en spoedige berechting en dat rechter i.g.v. afwijzing van verzoek in motivering van zijn beslissing blijk dient te geven van deze belangenafweging, terwijl die motivering in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. De afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak berust in de kern op ‘s Hofs oordeel dat verdachte zich welbewust heeft geplaatst in een positie waarin het effectueren van het aanwezigheidsrecht "op belemmeringen zou kunnen stuiten". Die enkele grond kan de afwijzing van dat verzoek niet dragen, terwijl voorts uit ’s Hofs motivering van de afwijzing van dat verzoek niet blijkt dat Hof een afweging van belangen heeft gemaakt. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken