HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2096

Opiumdelicten, art. 3.C Opiumwet. 1. Onrechtmatig betreden woning verdachte. 2. Bevoegdheid tot uitoefening van politietaken, i.c. het vorderen de inhoud van een tas te laten zien, door leden van de Koninklijke Marechaussee die zijn aangewezen als verkeersregelaar. CAG ad. 1 en 2: onvoldoende onderbouwd 359a-verweer. HR: art. 81.1 RO.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

13 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/03239
IV/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 22 juni 2017, nummer 21/005775-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2018.

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in

Verbonden uitspraken