HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2093

Poging zware mishandeling door ander, die op de grond lag, met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en te slaan, nadat deze zwangere zus van verdachte heeft bespuugd en dreigde te slaan en hij verdachte klap heeft gegeven, art. 302.1 Sr. Noodweerexces, art. 41.2 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. vereisten voor een geslaagd beroep op noodweerexces. Hof heeft geoordeeld dat de door verdachte gepleegde poging tot zware mishandeling niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de daaraan voorafgaande aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat m.b.t. de hevige gemoedsbeweging niet meer is gesteld dan dat verdachte in hevige paniek en stress is geraakt terwijl Hof heeft vastgesteld dat slachtoffer reeds roerloos op de grond lag en als b.m. o.m. als verklaring van verdachte heeft gebezigd: “Ik heb de armen waarmee hij zijn gezicht bedekte weggehaald om hem beter te raken. Het was mijn bedoeling om hem met die vuistslagen blijvend buiten gevecht te stellen en uit te schakelen. Ik wilde voorkomen dat hij nog achter mij aan kon gaan. Ik wilde hem die kans niet geven. Na de eerste klap is hij blijven liggen. Ik heb veel letsel bij hem aangericht. Ik ben wreed op hem los gegaan.” Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken