HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:19
T.b.v. hennepkwekerij in woning opzettelijk verijdelen van t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, art. 161bis.3 Sr. “Te duchten levensgevaar” toereikend gemotiveerd? Om in rechte het in art. 161bis Sr bedoelde levensgevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige b.m. volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar t.t.v. het verijdelen van de veiligheidsmaatregel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich doorgaans geen personen in de nabijheid van het betreffende elektriciteitswerk bevinden. Nu uit de gebezigde b.m. kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededader door de stroomvoorziening t.b.v. een door hen opgebouwde en ook tijdens hun afwezigheid in werking zijnde hennepkwekerij een erg brandgevaarlijke situatie in het leven hadden geroepen door de t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen te verijdelen, dat dit geschiedde in twee slaapkamers in een hoekpand met houten vloeren op de derde etage van een portiekflat, terwijl de aangrenzende woningen bewoond waren o.m. door een gepensioneerde buurman die veel thuis was, kunnen de b.m. ‘s Hofs oordeel dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was.
De uitspraak op rechtspraak.nl