HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1158

Laster door n.a.v. vechtscheiding, waarbij 3 minderjarige kinderen aan moeder zijn toegewezen, posters en pamfletten te verspreiden waarin staat dat ex-vrouw kinderen heeft ontvoerd, dat zij met onbekende bestemming is vertrokken en dat kinderen zijn vermist, art. 262 Sr. Niet beslist op beroep op exceptie van art. 261.3 Sr? Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte en A gewezen echtelieden zijn, dat er jarenlang juridische strijd is geweest over het gezag over en de omgang met de kinderen waarbij het gezag aan A is toegewezen en verzoeken van verdachte over omgang zijn afgewezen alsmede dat verdachte de in de bewezenverklaring vermelde posters/pamfletten o.m. heeft verspreid in Paterswolde omdat hij wist dat A en de kinderen daar toen woonden. Hof heeft voorts geoordeeld dat verdachte wist dat zijn telastelegging dat de kinderen zouden zijn vermist en er niets meer van hen is vernomen, in strijd is met de waarheid en overwogen dat de omstandigheid dat die wetenschap wellicht niet strookt met verdachtes subjectieve beleving van de situatie dat niet anders maakt. ‘s Hofs oordeel dat sprake is van laster getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is tevens toereikend gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen namens verdachte is aangevoerd, in de kern erop neerkomende dat verdachte de hiervoor bedoelde rechterlijke oordelen niet kon accepteren. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen