HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1131

Poging zware mishandeling n.a.v. verkeersruzie tussen man op scootmobiel (verdachte) en man op bromfiets door bromfietser meermalen met scherp voorwerp in buik te steken, art. 302.1 Sr. Schending ondervragingsrecht, art. 6 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. aanspraak verdediging op behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen en de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige. In aanmerking genomen dat blijkens de bewijsvoering de b.m. daarvoor overigens geen steun bieden, is de bewezenverklaring, v.zv. het betreft de betrokkenheid van verdachte bij de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, in beslissende mate gebaseerd op het tot het bewijs gebezigde p-v van de verklaring van aangever, inhoudende dat het verdachte moet zijn geweest die hem heeft gestoken. Nu verdachte die verklaring op wezenlijke onderdelen heeft betwist en de verdediging, ondanks het nodige initiatief in de vorm van een herhaald verzoek daartoe, niet in enig stadium van het geding gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid aangever te ondervragen, brengt dit mee dat Hof in strijd met art. 6 EVRM het hiervoor bedoelde p-v voor het bewijs heeft gebezigd. In dat verband is nog van belang dat niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze is gecompenseerd voor het ontbreken van een mogelijkheid om aangever te ondervragen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken