HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1070
Herziening. Medeplegen van drie moorden in Venlo in 1993. Herzieningsaanvraag is gebaseerd op de stelling dat getuigen A en B valse verklaringen hebben afgelegd en de dagboekaantekeningen van B vals zijn. Als nieuw gegeven wordt aangevoerd dat het Hof onkundig was van het wetenschappelijk onderbouwd oordeel in de op verzoek van aanvrager door rechtspsychologen Van Koppen en Vredeveldt opgestelde (aanvullende) rapporten. De beschouwingen en conclusies van de rapporteurs bevatten geen f&o die als novum kunnen worden aangemerkt, doch als een van ‘s Hofs oordeel afwijkende mening of gevolgtrekking. De f&o waarvan de rapporteurs zijn uitgegaan en die tot hun conclusies hebben geleid, hebben zij ontleend aan de gedingstukken die al bekend waren aan het Hof t.t.v. zijn uitspraak. Voorts bevat hun conclusie in zoverre een oordeel over omstandigheden waarnaar het Hof ook zelf onderzoek heeft gedaan, welk onderzoek tot de slotsom leidde dat niet aannemelijk is geworden dat de verklaringen van A en B in strijd met de waarheid zijn afgelegd en dat zij als voldoende betrouwbaar konden worden aangemerkt. Bij e.e.a. moet worden opgemerkt dat het Hof bij het toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van A i.h.b. acht heeft geslagen op diens beperkte intelligentie en beïnvloedbaarheid, terwijl de b.m. ook verklaringen van een mededader bevatten die duiden op betrokkenheid van aanvrager. Afwijzing aanvraag. Vervolg op ECLI:NL:HR:2003:AF9724.
De uitspraak op rechtspraak.nl