HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1063
Art. 359a Sv. Negen (woning)inbraken in Soest en deelneming aan criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van woning- en bedrijfsinbraken. Is gesteld vormverzuim (onrechtmatige controle voertuig verdachte) begaan binnen of buiten het verband van het voorbereidend onderzoek t.z.v. de tlgd. na die controle gepleegde feiten? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AM2533 m.b.t. toepassingsbereik art. 359a Sv. Het Hof heeft aan de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat de controle op 20-02-15 van het voertuig waarin verdachte reed, niet heeft plaatsgevonden i.h.k.v. het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak tlgd. - nadien gepleegde - feiten, zodat reeds op die grond geen sprake is van een vormverzuim waaraan o.g.v. art. 359a.1.b Sv het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting kan worden verbonden. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het onderzoek i.v.m. de tlgd. feiten, die hebben plaatsgevonden in de periode 01-06-15 t/m 28-07-15, eerst een aanvang heeft genomen nadat was gebleken dat het aantal woninginbraken in Soest na de aanhouding van verdachte wegens vernieling en de daaropvolgende inverzekeringstelling significant afnam. 's Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Aan dat oordeel staat niet in de weg dat verdachte reeds voorafgaand aan de verkeerscontrole op 20-02-15 in verband werd gebracht met woninginbraken in Soest en dat deze controle plaatsvond i.h.k.v. het voorbereidend onderzoek naar die eerdere inbraken. Volgt verwerping. Samenhang met 17/05254 en 17/05274 P.
De uitspraak op rechtspraak.nl