HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1016
OM-cassatie. Niet-ontvankelijkverklaring OM in de vervolging t.z.v. diefstal wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte, die na instellen h.b. door Nederlandse autoriteiten is uitgezet. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2059 m.b.t. de niet-ontvankelijkheid van het OM i.g.v. vormverzuimen i.d.z.v. art. 359a Sv dan wel een inbreuk op verdedigingsrechten van verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte is uitgezet terwijl de raadsman meerdere verzoeken en mededelingen heeft gedaan aan de Nederlandse autoriteiten, i.h.b. het OM, inhoudende dat verdachte gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht bij de behandeling van zijn zaak ttz. in h.b. ’s Hofs daarop gegronde oordeel dat de inbreuk op het door art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van verdachte tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging moet leiden is, nu het Hof niets heeft vastgesteld omtrent de (on)mogelijkheid het aanwezigheidsrecht van verdachte alsnog te effectueren en daarmee evenmin over de vraag of sprake was van een onherstelbare inbreuk, reeds daarom niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl