HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1003
Groepsbelediging homoseksuelen en joden in op YouTube geplaatste rap met bijbehorende videoclip die o.m. inhield de tekst “flikkers geef ik geen hand” en “ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s”, art. 137c.1 Sr en 10 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3583 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting en de vraag of een uitlating strafbaar is wegens groepsbelediging ex. art. 137c Sr en uit ECLI:NL:HR:2001:ZD2776 m.b.t. de vraag wanneer bij een kunstuiting sprake is van overschrijding van de rechtens geldende grens van het recht van vrijheid van artistieke expressie. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring weergegeven uitlatingen - welke voorkomen in een rap van verdachte waarvan hij een videoclip op internet heeft geplaatst - zowel op zichzelf beschouwd als bezien in hun context beledigend zijn i.d.z.v. art. 137c Sr. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat het woord "flikker" naar algemeen spraakgebruik wordt gebruikt als scheldwoord en als minachtende benaming voor homoseksuelen, waaraan de toevoeging "geef ik geen hand" een nog negatievere lading geeft, dat de zin "Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi's" dat deden een relatie legt met de historische werkelijkheid van de holocaust en dat het woord "fucking" de uitlating een nog negatievere lading geeft. Het Hof heeft voorts het volgende in aanmerking genomen. Hoewel kenmerkend is voor rap dat grove bewoordingen niet worden geschuwd, is de enkele omstandigheid dat de uitlatingen rijmen met de rest van de tekst van de rap, niet voldoende om van functionaliteit i.h.k.v. artistieke expressie te kunnen spreken, terwijl ook anderszins niet van zo'n functioneel verband met de rest van die tekst is gebleken. O.g.v. dit e.e.a. heeft het Hof geoordeeld dat verdachte zijn artistieke vrijheid heeft misbruikt om de beledigingen te uiten. Deze oordelen - die het Hof heeft geplaatst tegen de achtergrond van voornoemd kader en waarin het Hof heeft betrokken dat de uitingen zijn gedaan in de context van een specifieke expressie bestaande uit een rap door iemand die als artiest werkt - geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Mede in aanmerking genomen hun verwevenheid met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, zijn zij toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl