HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:699

Seksueel binnendringen, art. 243 Sr. Verkeerde aangeefster in verminderde staat van bewustzijn en wist de verdachte dat? Vd en aangeefster waren beiden op een feestje waarbij aangeefster, tegen het eind van het feestje volgens de vd een dronken indruk maakte, ineens ging overgeven, begon te ijlen en op enig moment “voor pampus” lag, waarbij de vd de indruk had dat aangeefster behoorlijk ver heen was. Het oordeel van het hof, dat de aangeefster heeft verkeerd in een staat van verminderd bewustzijn en dat de vd van die staat weet had, getuigt gelet op ’s hofs vaststellingen en de wetsgeschiedenis niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel, dat is verweven met de aan het hof voorbehouden feitelijke waardering van het voorhanden bewijsmateriaal, is ook niet onbegrijpelijk. Aan ’s hofs oordeel doet niet af dat de aangeefster kennelijk in staat was kort voor het bewezenverklaarde handelen te vragen om een arts en dat zij ten tijde van het bewezenverklaarde handelen tweemaal heeft gezegd “niet doen!” en heeft geprobeerd de verdachte weg te duwen. Middel faalt. CAG gevolgd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen