HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:667
Deelneming aan samenscholing, art. 2.2 APV Amsterdam 2008. 1. Deelneming. 2. Kwalificatie van het bewezenverklaarde als “overtreding van art. 2.2 lid 3 van de APV Amsterdam 2008 en overtreding van art. 2.2 lid 1 van de APV Amsterdam 2008”. Ad 1. De term “deelnemen” komt binnen de context van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 een eigen betekenis toe, die afwijkt van de betekenis die aan het begrip deelnemen wordt gegeven in de art. 47 en 48 Sr. Voldoende voor een bewezenverklaring van "deelnemen" in de zin van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 is dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de dreiging die van een groep uitgaat door deel uit te maken van die groep. Ad 2. Het Hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat “de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen”. Daarin ligt ’s Hofs oordeel besloten dat de samenkomst niet (primair) het karakter had van gemeenschappelijke meningsuiting, maar was gericht op het beletten van de politie de aangekondigde ontruiming door te zetten d.m.v. de uitoefening van feitelijke dwang. Gelet op de wetsgeschiedenis geeft ’s Hofs oordeel dat “geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM” en dat “de gedragingen van de aanwezigen [...] dan ook [vallen] onder de werking van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008” niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt opgemerkt over een ruime interpretatie van het door art. 11 EVRM beschermde recht van vrije vereniging noopt i.c. niet tot een ander oordeel. Samenhang met 15/04387, 15/04384, 15/04392 en 15/04390.
De uitspraak op rechtspraak.nl