HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:376

Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Verdachte heeft grote contante geldbedragen gestort op de bankrekening van zijn eigen B.V. (rechtspersoon X en diens rechtsopvolger rechtspersoon Y) en is daarvoor deels in persoon en deels als feitelijk leidinggever aan zijn B.V. veroordeeld. 1. “overdragen en omzetten”; 2. “verwerven en voorhanden hebben”. Ad 1. Bewezen verklaard is o.m. dat rechtspersonen X en/of Y geldbedragen hebben “overgedragen en omgezet”, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Uit de bewijsvoering kan niet volgen dat rechtspersonen X of Y geldbedragen hebben “overgedragen”. Het Hof heeft de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege bestaat echter onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte een groot aantal contante geldbedragen heeft gestort op een bankrekening van rechtspersonen X en Y is de bewezenverklaring v.zv. die betrekking heeft op het “omzetten” van die geldbedragen toereikend gemotiveerd. Ad 2. Bewezen verklaard is voorts dat rechtspersonen X en/of Y geldbedragen hebben “verworven en voorhanden gehad”, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Indien vaststaat dat het enkele “verwerven” of “voorhanden hebben” door verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd. Deze rechtsregel geldt slechts indien aannemelijk is dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt niet dat door of namens verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit een door hetzij verdachte hetzij rechtspersonen X en/of Y begaan misdrijf, terwijl uit de bewijsvoering van het Hof evenmin rechtstreeks voortvloeit dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit een door hetzij verdachte hetzij X en/of Y begaan grondmisdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen i.c. niet van toepassing zijn. Samenhang met 15/00832.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen