HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:338

Medeplegen van bij iemand jonger dan zestien jaar ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (meermalen gepleegd), art. 245 Sr en art. 9a Sr. Vijftienjarige verdachte heeft samen met andere jongens van dertien tot zeventien jaar oud in twee woningen in Capelle aan den IJssel seksuele handelingen verricht met een dertienjarig meisje, dat daaraan voorafgaand jegens hen seksueel wervend gedrag had vertoond en zelf initiatieven tot seksuele handelingen had genomen. Hof heeft geen straf of maatregel opgelegd. Kan uit ’s Hofs overweging in strafmotivering, inhoudende dat het Hof het aannemelijk acht dat ook verdachte en zijn medeverdachten net als aangeefster niet in staat zijn geweest om de gevolgen voor henzelf en voor aangeefster in voldoende mate te overzien, worden afgeleid dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald? HR: art. 81.1 RO.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

7 februari 2017
Strafkamer
nr. S 15/04924 J
AKA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2015, nummer 22/004537-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken