HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3020
Medeplegen gekwalificeerde diefstal van geldbedrag van € 2.100,- uit woning (b.p. A), witwassen door uit misdrijf afkomstig geldbedrag van € 2.350,- voorhanden te hebben in slaapkamer van woning en medeplegen poging tot gekwalificeerde diefstal uit woningen (b.p. B). 1. Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Afkomstig uit eigen misdrijf? 2. Wettelijke rente bij vorderingen b.p. A en b.p. B. 3. Voldoende verband a.b.i. art. 51f en 361.2 Sv t.a.v. vordering b.p. B. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842 over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen en ECLI:NL:HR:2015:1655 m.b.t. de factoren die van belang zijn bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp indien de feitenrechter die kwalificatiebeslissing niet heeft gemotiveerd. Hof heeft o.m. vastgesteld dat in de slaapkamer van verdachte een bedrag van € 2.350,– is aangetroffen, dat verdachte vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering heeft gehad, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de onder hem aangetroffen bankbiljetten van € 500,– bij de bank heeft besteld, en dat de verklaring van verdachte omtrent de legale herkomst van het geld niet aannemelijk is. Mede gelet op de korte tijdspanne tussen de bewezenverklaarde diefstal uit een woning en het voorhanden hebben van het geldbedrag en in aanmerking genomen dat namens verdachte o.m. is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag uit de bewezenverklaarde inbraak afkomstig was, is oordeel Hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is niet z.m. begrijpelijk. Ad. 2. In cassatie moet het ervoor worden gehouden dat door b.p. A in e.a. niet op de door de bij de wet voorgeschreven wijze wettelijke rente is gevorderd. In aanmerking genomen dat een b.p. haar vordering in h.b. niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA4262), heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden. Ook t.a.v. vordering b.p. B heeft Hof ten onrechte beslist dat vordering vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente, nu de stukken van het geding niet inhouden dat b.p. B vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd. Ad. 3. Een b.p. kan in het strafproces vergoeding van schade vorderen van schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Hof heeft kennelijk aangenomen dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde poging tot diefstal met braak en de door b.p. B geleden schade. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu de gevorderde schade o.m. betrekking heeft op herstelwerkzaamheden aan de desbetreffende woning en Hof verdachte heeft vrijgesproken van de tlgd. poging tot diefstal met braak in/uit die woning.
De uitspraak op rechtspraak.nl