HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2819

Ontoelaatbare beperking h.b. en ontvankelijkheid in h.b. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2011:BO4030 m.b.t de consequenties die moeten worden verbonden aan de niet-naleving van art. 407 Sv doordat bij het instellen van het h.b. een ontoelaatbare beperking is aangebracht in de omvang van het beroep. Het Hof heeft i.c. terecht geoordeeld dat de beslagbeslissing van de Rb. niet op de voet van art. 407.2 Sv van het h.b. kan worden uitgezonderd. Het door verdachte ingestelde h.b. - zoals daarna door verdachte beperkt - voldoet in zoverre niet aan de eisen van art. 407 Sv. Blijkens het p-v van de tz. in h.b. is de raadsman van verdachte door het Hof in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over de omvang van het h.b., waaronder het handhaven van zijn bezwaren tegen de door de Rb. genomen beslissingen t.a.v. feit 3. Het Hof heeft hetgeen de raadsman daartoe naar voren heeft gebracht, kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een verklaring dat verdachte het h.b. zonder de in de "akte partiële intrekking beroep" ten onrechte aangebrachte beperking wil doorzetten. Gelet daarop getuigt het daarop voortbouwende oordeel van het Hof dat niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn h.b. achterwege moet blijven, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken