HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817

Redelijke termijn in h.b. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. de motivering van de rechter ingeval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM en de toetsing daarvan in cassatie. I.c. heeft het Hof ambtshalve geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden en heeft het deze overschrijding "in strafmatigende zin" betrokken bij de strafoplegging zonder evenwel te vermelden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Dat het hier gaat om een ambtshalve gedane vaststelling, wordt bevestigd door het p-v van de tz. in h.b. waaruit blijkt dat de zaak aldaar op tegenspraak is behandeld maar door of namens verdachte geen verweer is gevoerd omtrent de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop heeft verdachte geen in rechte te respecteren belang bij zijn klacht over 's Hofs verzuim. HR verklaart het beroep in cassatie ex art. 80a RO niet-ontvankelijk. CAG: het geconstateerde motiveringsgebrek behoeft niet tot cassatie te leiden, o.m. omdat het om een beperkte overschrijding gaat en de termijn van de gehele procedure in drie instanties binnen de grenzen van afdoening binnen redelijke termijn blijft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken