HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2812
Opiumwetdelict (opzettelijk verkopen van 8 gr. hennep). 1. Misdrijf of overtreding? Art. 11.6 Opiumwet. 2. Vordering tul, art. 14j Sr. Ad 1. HR herhaalt ECLI:NL:HR:AD2114, NJ 1994/674: ex art. 11.6 Opiumwet zijn handelingen a.b.i. art. 11.2 Opiumwet, indien deze betrekking hebben op een hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gr., ook ingeval van opzet, niet als misdrijf strafbaar, maar worden zij bestreken door art. 11.1 Opiumwet. Hof heeft het bewezenverklaarde handelen gekwalificeerd als opzettelijk handelen i.s.m. een in art. 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en verdachte veroordeeld tot 16 dagen gevangenisstraf. Nu de bewezenverklaarde handeling betrekking heeft op een hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gr., levert deze ingevolge art. 11.6 Opiumwet een overtreding op van art. 11.1 Opiumwet. ’s Hofs oordeel dat het bewezenverklaarde handelen ex art. 11.2 Opiumwet strafbaar is als misdrijf, is niet juist. HR verbetert kwalificatie en wijst terug wat betreft de strafoplegging. Ad 2. Hof heeft bij bestreden arrest van 20 januari 2016 de tul gelast van de bij vonnis van Rb van 24 december 2013 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 3 maanden, in die zin dat deze wordt omgezet in een gevangenisstraf van 2 maanden. Bij een op 10 februari 2015 o.g.v. art. 14j Sr gegeven beschikking heeft Rb de tul gelast van diezelfde voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 3 maanden, in die zin dat deze wordt omgezet in een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie. Deze beslissing was, gelet op in art. 14j.1, tweede volzin, Sr, t.t.v. het bestreden arrest onherroepelijk. Gelet hierop, is ’s Hofs oordeel dat het OM ontvankelijk is in de vordering tul van die voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, onjuist. HR verklaart het OM n-o in de vordering tul.
De uitspraak op rechtspraak.nl