HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499

Medeplegen van witwassen door uit (eigen) misdrijf afkomstige verzekeringsgelden te laten storten op bankrekeningen op naam van een ander, die feitelijk aan verdachte ter beschikking stonden. Verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag, art. 420bis.1.b Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842 over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte A heeft overgehaald om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, dat verdachte de beschikking heeft gekregen over de bankrekeningnummers van A, dat A niet gerechtigd was tot ontvangst van de op zijn bankrekening overgeboekte verzekeringssommen, dat verdachte een deel van het ontvangen geld heeft overgeboekt naar andere bankrekeningen en dat A een deel van de stortingen contant heeft opgenomen en aan verdachte heeft overhandigd. ’s Hofs op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag niet slechts tezamen en in vereniging met een ander heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Samenhang met 16/01682 P. CAG: anders

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken