HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1215
Afstand ondervragingsrecht. Gebruik tot bewijs van in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring van een getuige, welke getuige de verdediging niet heeft kunnen ondervragen en waarbij verdediging onder meer “uit piëteit jegens de getuige” heeft afgezien van het horen van deze getuige. Voorafgaande opmerkingen HR over afstand van recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen te (doen) ondervragen en het nodige initiatief wat van de verdediging verwacht kan worden (vgl. EHRM 28 september 2006, 24015/02 (Andandonskiy/Rusland)). Voor de beoordeling van de vraag of het nodige initiatief is genomen, is beslissend het procesverloop en hetgeen de verdediging ter terechtzitting daaromtrent naar voren heeft gebracht. In het bestreden arrest ligt als oordeel van het Hof besloten dat de verdediging afstand heeft gedaan van het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de getuige te (doen) ondervragen en dat derhalve art. 6 EVRM niet in de weg staat aan het tot bewijs bezigen van de door de getuige tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring. Dat oordeel is, gelet op hetgeen de HR voorop heeft gesteld en i.h.b. het procesverloop, onjuist noch onbegrijpelijk. Oordeel ten overvloede van het Hof dat de verdediging niet heeft verzocht enige compensatie te bieden wegens het ontbreken van de gelegenheid om de getuige te ondervragen alsmede dat de verklaring van de getuige in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen behoeft geen nadere bespreking, omdat i.c. de verdediging wel afstand heeft gedaan van het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om aan de getuige vragen te stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl