HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1125
N.a.v. een verkeersruzie is een taxichauffeur achter een fietser aangereden en met zijn auto op de fietser ingereden, als gevolg waarvan de fietser is gevallen zonder dat deze letsel heeft opgelopen. Poging tot zware mishandeling (art. 302 jo 45 Sr). Klacht over het bewijs van voorwaardelijk opzet. CAG: ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat X zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij moet worden bedacht dat het gaat om een gemotoriseerde verkeersdeelnemer die met zijn auto is ingereden op een fietser. HR: art. 81.1 RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
20 juni 2017
Strafkamer
nr. S 15/04145
NA/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 augustus 2015, nummer 21/008563-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2017.