HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1094

Medeplegen van uitkeringsfraude, art. 227b Sr. 1. Uos gezamenlijke huishouding. 2. Bewijsklacht wetenschap dat medeverdachte wist dat verdachte een inlichtingenplicht o.g.v. de Wet werk en bijstand had en dat medeverdachte wist dat verdachte daaraan niet voldeed. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/03798.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

13 juni 2017
Strafkamer
nr. S 15/04538
DFL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 juli 2015, nummer 23/000619-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017.

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken