HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:555
Inkeerregeling ex art. 69.3 AWR en vervolging t.z.v. witwassen. Verweer dat OM n-o moet worden verklaard in de vervolging. Hof heeft verweer verworpen op de grond dat inkeerregeling niet op verdachte van toepassing is, nu hij t.a.v. de in tll. genoemde geldbedragen niet zelf belastingplichtig was. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2001:AB1761 m.b.t. toepasselijkheid inkeerregeling. Onder bijzondere omstandigheden kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat, indien vervolging van het fiscale misdrijf o.g.v. art. 69.3 AWR is uitgesloten, niet alsnog t.z.v. het desbetreffende feitencomplex een op overtreding van art. 420bis Sr toegespitste strafvervolging wordt ingesteld (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0659, NJ 1998/71). Gelet hierop is 's Hofs verwerping van het gevoerde verweer ontoereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl