HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:469
Profijtontneming. Hoofdelijke betalingsverplichting. Art. 36e.7 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:878 m.b.t. het feit dat alleen indien het verkregen wederrechtelijk voordeel als ‘gemeenschappelijk voordeel’ kan worden aangemerkt waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken, het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting het karakter van de ontnemingsmaatregel niet aantast. HR herhaalt voorts relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:1781 m.b.t. het feit dat niet is vereist dat de mededader(s) die uit het strafbaar feit ‘gemeenschappelijk voordeel’ hebben behaald voor dat feit veroordeeld zijn. Voor zover het middel klaagt dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 36e.7 Sr aangezien de mededader van betrokkene niet is veroordeeld t.z.v. het feit waaruit het wederrechtelijk voordeel is verkregen faalt het. I.c. heeft het Hof het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting op betrokkene ontoereikend gemotiveerd, nu uit ’s Hofs oordeel dat de door betrokkene beweerde verdeling van de winst tussen hem en zijn mededader niet wordt bevestigd door objectieve aanwijzingen, niet zonder meer volgt dat het volledige w.v.v. als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt waarover zowel betrokkene als zijn mededader kan beschikken of heeft kunnen beschikken.
De uitspraak op rechtspraak.nl