HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:383
Art. 7 WOTS, Ne bis in idem. De Rb heeft vastgesteld dat veroordeelde in NL bij rechterlijke beslissing is vrijgesproken t.z.v. witwassen van € 402.340,-. De Rb heeft voorts vastgesteld dat veroordeelde daarvan ook in Italië bij rechterlijke beslissing is vrijgesproken, dat hij bij diezelfde beslissing is veroordeeld t.z.v. deelname aan een crim. org. en t.z.v. internationale handel in en bezit van cocaïne, en dat de verbeurdverklaring - gelet op de overwegingen in de Italiaanse beslissing - onmiskenbaar ziet op geld dat door veroordeelde is verdiend met zijn deelname aan de crim. org. Deze vaststellingen van de Rb zijn niet onbegrijpelijk. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van de Rb dat art. 7 WOTS niet aan de tul in NL van de bij de Italiaanse beslissing opgelegde sanctie in de weg staat, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. V.zv. het middel klaagt over het oordeel van de Rb dat het aan veroordeelde verweten witwassen, waarvan hij is vrijgesproken, en het deelnemen aan een crim. org., waarvoor hij is veroordeeld, niet hetzelfde feit oplevert in de zin van art. 7 WOTS en art. 68 Sr zodat de tul in NL van de in Italië opgelegde sanctie niet in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dat in die bepalingen is verwoord, faalt het eveneens. Reeds het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken is dermate groot dat geen sprake is van 'hetzelfde' feit in voormelde zin. Het oordeel van de Rb geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel voor het overige: art. 81.1 RO. Op gronden als vermeld in conclusie AG is het in de schriftuur vervatte verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU niet voor inwilligging vatbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl