HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2849
Ruchtbaarheid geven ex art. 262.1 Sr (laster). Bewezen is verklaard dat de verdachte aan diverse personen heeft medegedeeld dat zij was verkracht en/of aangerand door de wijkagent Y tijdens haar aanhouding en daardoor in verwachting was geraakt, en tezamen en in vereniging met een ander aan diverse personen heeft medegedeeld dat X haar zoon en andere kinderen seksueel had misbruikt en aan een persoon medegedeeld had dat X in het bezit was van kinderporno, terwijl zij wist dat deze feiten in strijd met de waarheid waren. HR: onder “ruchtbaarheid geven” als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan “het ter kennis van het publiek brengen”. Met zodanig “publiek” is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van “het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven” kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan (ECLI:NL:HR:2008:BC9186, HR 3 november 1964, NJ 1965/109). Het oordeel van het hof dat door mededeling van de in de bewezenverklaring vermelde aantijgingen aan de daarin genoemde personen is gehandeld met het kennelijke doel om aan die aantijgingen ruchtbaarheid te geven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de uitlatingen zijn gedaan tegenover meerdere personen en dat uit de aan deze personen gestelde vragen kan worden afgeleid dat is beoogd dat de aantijgingen bekend zouden worden respectievelijk onder een breder publiek besproken zouden worden. Samenhang met 15/00794.
De uitspraak op rechtspraak.nl