HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2721

1. Stelbrief raadsman niet bij stukken, art. 51 Sv. 2. Aanwezigheidsrecht, detentie uit anderen hoofde. Ad 1. Aan cassatieschriftuur gehechte stukken bieden voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat de stelbrief van de raadsman wel ter griffie van het Hof is ontvangen doch aldaar in het ongerede is geraakt. Uit de stukken blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman is gezonden, terwijl noch verdachte noch diens raadsman ttz. in h.b. is verschenen. Hieruit vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. de appeldagvaarding art. 51, tweede volzin, Sv niet is nageleefd. Dit staat in de weg aan een geldige behandeling van de zaak ttz. in h.b. Ad 2. Aan de cassatieschriftuur zijn de volgende stukken gehecht: een “meldingsformulier consultatiebijstand” m.b.t. de aanhouding van verdachte wegens overtreding van voorwaarden verbonden aan schorsing van voorlopige hechtenis in andere zaak, een beschikking van de RC betreffende de afwijzing van de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis en een e-mailbericht van een medewerkster van het kabinet RC betreffende de behandeling van de “Opheffing Schorsing”. Daaruit moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn zaak in h.b. uit anderen hoofde was gedetineerd. ’s Hofs beslissing om verstek te verlenen en het ottz. voort te zetten, was achteraf bezien onjuist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen