HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2523

Afwijzing (herhaald) getuigenverzoek. Na eerdere toewijzing van het verzoek om de getuige (vader van verdachte) te horen, waarna de getuige i.h.k.v. een rechtshulpverzoek ten overstaan van een Duitse rechter zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, wees het Hof een verzoek om die getuige te horen af, omdat het verzoek onvoldoende onderbouwd was. HR: mede in aanmerking genomen dat door de raadsman van verdachte ttz niet meer is aangevoerd dan dat “hij van verdachte heeft gehoord dat de getuige bereid is om vragen te beantwoorden” is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hierna herhaalde getuigenverzoek wees het Hof af en betrok hierbij dat door de raadsman aan dit verzoek geen nieuwe f&o ten grondslag zijn gelegd en die evenmin zijn gebleken. Ook dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. HR: het Hof heeft, met de afwijzing van de getuigenverzoeken, art. 6.3.d EVRM niet miskend, nu deze verdragsbepaling zich niet ertegen verzet dat bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de onderbouwing van verzoeken tot het horen van getuigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen