HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1405
Antilliaanse zaak. Eigen waarneming rechter. Art. 383 SvA en art. 340 Sv. Het i.c. toepasselijke art. 383 SvA is gelijkluidend aan art. 340 Sv. Naar art. 340 Sv voorschrijft, zal de eigen waarneming van de rechter, wil deze als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, bij het o. ttz. moeten zijn gedaan, zodat ook zowel de vertegenwoordiger van het OM als verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten. Het is in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt. Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal. (Vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ2831). Het vorenoverwogene geldt ook voor art. 383 SvA. Blijkens de p-v’s van de terechtzittingen is aldaar in aanwezigheid van alle betrokkenen de DVD afgespeeld met daarop door beveiligingscamera's gemaakte beelden, waaronder de in het middel bedoelde beelden die het Hof als eigen waarneming voor het bewijs heeft gebruikt. Op grond daarvan heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat het gebruik van die waarneming voor het bewijs geen verrassing kon zijn voor verdachte en zijn raadsman. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van de waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal.
De uitspraak op rechtspraak.nl