HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391
Economische zaak. Art. 7 Wte. 1. Aanvang verjaring. Door slechts te overwegen dat het onder 2 subs. tlgd. delict gekwalificeerd moet worden als een “voortdurend delict” omdat dit delict “pas [is] voltooid op de dag dat betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert” heeft het Hof zijn oordeel omtrent de aanvang van de verjaring niet behoorlijk gemotiveerd. In het bijzonder heeft het Hof geen inzicht erin gegeven op welke f&o, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tll genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tll heeft gebaseerd. 2. Slagende bewijsklacht medeplichtigheid, nu het opzet van verdachte op het door diens medeverdachte opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
De uitspraak op rechtspraak.nl