HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98
Onjuiste verstekverlening. Geen afstand van aanwezigheidsrecht. Indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon is uitgereikt en verdachte noch zijn raadsman op de tz. is verschenen, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien verdachte t.t.v. de behandeling van zijn zaak i.v.m. een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was. In cassatie is overgelegd een “bewijs van ontslag”, inhoudende als verklaring van de directeur van het detentiecentrum dat verdachte in detentie heeft gezeten van 10 t/m 15 februari 2014. Uit dit stuk moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn strafzaak in h.b. i.v.m. met een andere zaak was gedetineerd, zodat ’s Hofs beslissing om tegen verdachte verstek te verlenen en het ottz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist was.
De uitspraak op rechtspraak.nl