HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:941
HR: art. 80a RO. Gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen de door het Hof opgelegde straf en ’s Hofs motivering van die straf, is het belang van verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2012:BX0146. De schriftuur bevat niet een in zo een geval vereiste toelichting m.b.t. het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. De enkele stelling dat het Hof bij “de strafoplegging is uitgegaan van artikel 311 lid 2 Sr, hetgeen met aanzienlijk meer straf is bedreigd dan diefstal in vereniging gepleegd door middel van braak”, is - gelet op de opgelegde straf en ’s Hofs strafmotivering - daartoe ongenoegzaam. De HR verklaart daarom - gezien art. 80a RO - het beroep in cassatie n-o.
De uitspraak op rechtspraak.nl