HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:902
Voorwaardelijk verzoek horen getuigen. Verzuim. Maatstaf. Door de verdediging is een verzoek gedaan a.b.i. art. 287.3.a. jo. art. 328 en art. 415 Sv. Nu de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, was een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek vereist. Noch het p-v van de tz. in h.b. noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in op het door de raadsman gedane verzoek. Dit verzuim heeft ex art. 330 jo. 415 Sv nietigheid tot gevolg. V.zv. het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. V.zv. het middel klaagt dat het verzoek tot het horen van getuigen door het Hof is afgewezen met toepassing van een onjuiste maatstaf, faalt het. Het Hof heeft het verzoek afgewezen op de grond dat daarvan de noodzaak niet is gebleken. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.47 inhoudende dat het Hof slechts dan gehouden is een beslissing te geven omtrent de (hernieuwde) oproeping van die getuige indien daartoe door of namens verdachte ttz. een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan. Het p-v van de ttz. in h.b. houdt niet in dat de verdediging bij aanvang van het onderzoek uitdrukkelijk en gemotiveerd de oproeping heeft verzocht van deze, bij appelschriftuur opgegeven, niet opgeroepen en niet verschenen getuigen. Op het eerst bij pleidooi gedane nieuwe (voorwaardelijke) verzoek heeft het Hof met toepassing van de juiste maatstaf beslist. V.zv het middel betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen m.b.t. de vorderingen van de b.p., kan het niet tot cassatie leiden. Nu het de b.p. ex art. 334.1 Sv niet is toegestaan ter onderbouwing van haar vordering getuigen aan te brengen, staan de eisen van een eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, i.h.b. de equality of arms, eraan in de weg dat wel aan verdachte de bevoegdheid zou toekomen m.b.t. deze vordering getuigen aan te brengen (vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0834).
De uitspraak op rechtspraak.nl