HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:517
Verontschuldigbare termijnoverschrijding voor het instellen van hb? Verdachte en de raadsman hebben betoogd dat verdachte ervan mocht uitgaan dat haar zaak zou worden aangehouden, omdat eerst nog getuigen zouden worden gehoord. In ’s Hofs overwegingen ligt besloten dat het Hof de f&o waaraan door verdachte en de raadsman de conclusie is verbonden dat verdachte ervan mocht uitgaan dat de behandeling van haar zaak op de in de dagvaarding genoemde zittingsdag zou worden aangehouden, niet aannemelijk heeft bevonden. Dat oordeel van het Hof is gebaseerd op het ontbreken van enig aanknopingspunt voor het gestelde in de stukken van het dossier en op de omstandigheid dat verdachte na die zittingsdag niet heeft geïnformeerd naar het verdere verloop van haar zaak, terwijl dat naar het kennelijke oordeel van het Hof in de situatie waarvan verdachte was uitgegaan, wel in de rede had gelegen. Het Hof heeft o.g.v. dit e.e.a. kunnen oordelen dat niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. De niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het door haar ingestelde hb is, mede gelet op hetgeen door en namens verdachte in dit verband is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Conclusie AG: anders.