HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:510
Gekwalificeerde diefstal. Bewijs van diefstal in vereniging. I.c. is de diefstal begaan door twee of meer verenigde personen a.b.i. art. 311.1 sub 4 Sr en ook is de diefstal door verdachte gepleegd onder een van de strafverzwarende omstandigheden als genoemd in voormelde bepaling onder sub 5 (met braak en inklimming). In het licht daarvan en gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen voorts de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, is het belang van verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.6.2. bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting m.b.t. het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het -rechtens te respecteren- belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof met het oog op een nieuwe behandeling. Gelet hierop verklaart de Hoge Raad -gezien art. 80a RO- het beroep n-o.
De uitspraak op rechtspraak.nl