HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3639
Ontvankelijkheid OM na vrijspraak van feit waarmee de verdachte een sepotvoorwaarde zou hebben geschonden. Het hof heeft de brief van de OvJ, inhoudende dat verdachte voor dat feit niet zal worden vervolgd onder de voorwaarde dat hij “gedurende de proeftijd (…) zich niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zich zal misdragen”, kennelijk aldus uitgelegd dat de daarin vervatte voorwaarde niet ziet op een veroordeling t.z.v. een nieuw strafbaar feit, doch op het ontstaan van een redelijke verdenking dat de veroordeelde zich aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. De verwerping van het verweer dat het OM gelet op de (onherroepelijke) vrijspraak van het “nieuwe strafbare feit” alsnog n-o had moeten worden verklaard in de vervolging van het aanvankelijk voorwaardelijk geseponeerde feit, aangezien voortzetting van die vervolging “in strijd moet worden geacht met het vertrouwensbeginsel”, getuigt, mede in aanmerking genomen de door het Hof gegeven uitleg van bedoelde voorwaarde, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. A-G: anders.